ESSAYS

Freud speelt Schiller

Psychoanalyse en/als esthetische bildungstheorie

Marc De Kesel

De dramaturgie van de ongehoorzaamheid

Historisch vormingstheater en politieke theatraliteit vandaag

Klaas Tindemans

1989-1995: een nieuw museum, een nieuwe voorzitter

Interview met Marc De Cock, oud-voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst van Gent (deel 5)

Koen Brams, Dirk Pültau

BESPREKINGEN


beeldende kunst


Manifesta 11, Zürich

Christophe Van Gerrewey

gerlach en koop:

Roosmarijn Hompe

Josef Sudek

Steven Humblet

Nieuwe publicaties

Marc Goethals

DIGITAAL +

digitaal plus test artikel

ondertitel van dit artikel

Home
De Witte Raaf

nr. 183
Editie september-oktober 2016



Esthetische opvoeding (2)

Meer dan tweehonderd jaar geleden betoogde Friedrich Schiller dat de kunst de mens moet opvoeden: alleen via esthetische weg kon hij leren omgaan met de vrijheid die zopas (met de Franse Revolutie) in barbarij was ontaard. In de openingstekst van dit nummer betoogt Marc De Kesel dat ook de psychoanalytische theorie van Sigmund Freud en Jacques Lacan als een 'esthetische bildungstheorie' kan worden opgevat. Het vrijheidsstreven van de mens heeft volgens de psychoanalyse geen redelijke grond, zoals Schiller nog gelooft, maar kenmerkt zich door een inherent libidineus karakter. Een universeel opvoedingsproject in schilleriaanse zin is daarmee onmogelijk geworden. Maar precies dat besef geeft de psychoanalyse haar 'opvoedende' waarde, en net als bij Schiller wordt die door de psychoanalyse op 'kunstzinnige' wijze opgevat. Enkel de 'esthetische blik', aldus Freud en Lacan, laat toe een glimp op te vangen van het onbewuste, dat de wetenschap niet inzichtelijk weet te maken. Beiden zien de kunst dan ook als 'kennis', maar dan als 'een kennis die haar tekort – alsook het tekort tout court […] onderkent'. Nu de menswetenschappen steeds vaker uitgaan van een '(objectief) wetenschappelijke paradigma', besluit De Kesel, is een dergelijke diepgaande kennis belangrijker dan ooit. De psychoanalyse (of de kunst) werpt die menswetenschappen meer bepaald de volgende cruciale vraag toe: '[…] of het weten van de menswetenschappen niet per definitie een 'esthetisch' weten is'.

Klaas Tindemans belicht de intellectuele erfenis van een kunstpraktijk die haar opvoedende missie in haar naam draagt: het 'vormingstheater’, dat in Vlaanderen tussen het symbolische jaar 1968 en – ongeveer – 1980 zijn relatieve bloeitijd kende. Tindemans vertrekt van drie bundels die tussen 1979 en 1982 samengesteld werden door de 'werkgroep vormingstheater' van de Vrije Universiteit Brussel, en tracht de doorwerking én de verschillen met recente en hedendaagse vormen van 'opvoedend' en 'politiek' theater op het spoor te komen.

In twee teksten wordt de esthetische opvoeding vanuit een biografisch perspectief benaderd. Bart Meuleman tracht de 'leerervaringen' te reconstrueren die hij opdeed in de klas van Dirk Lauwaert aan het RITCS te Brussel, waar hij in de jaren tachtig studeerde. Hij ontwaart twee 'tweedelingen' in die lessen: Lauwaerts 'doorbloede en beargumenteerde afkeer van het grote geheel' van de moderne maatschappij sloot paradoxaal genoeg niet uit dat hij een 'tactiele, sensuele, soms haast kinderlijke want verwonderde aandacht' aan de dag kon leggen voor de zogenaamde 'producten' (zoals hollywoodfilms) van dat grote geheel. Zijn verschroeiende kritiek op de moderne samenleving ging, ten tweede, gepaard met een sensibele, van humor en plezier doortrokken blik op oudere fenomenen en figuren (bijvoorbeeld de dandy) van diezelfde moderniteit. Een cruciale 'les' die Meuleman aan Lauwaert overhield: 'Niets is te min voor onze belangstelling.' Jan van Adrichem speurt naar de stapstenen van een 'esthetische opvoeding' die in zijn keuze voor een loopbaan als kunsthistoricus uitmondde. Vooral 'oneigenlijke', niet op esthetische vorming gerichte 'leerobjecten' blijken daarbij een rol te hebben gespeeld – zo komt Van Adrichem in zijn queeste onder meer bij de misrituelen in de kerk van zijn geboortedorp terecht.

Ten slotte publiceren we de vijfde aflevering van het gesprek dat Koen Brams & Dirk Pültau voerden met Marc De Cock, oud-voorzitter van de Vereniging voor het Museum van Hedendaagse Kunst, ditmaal over de laatste zes jaar van zijn voorzitterschap (1989-1995).