ESSAYS

Kerk, koning, kapitaal, kazerne en kroeg

De ludieke kunstenaar-activist Robert Jasper Grootveld

Janna Schoenberger

Het verleden voorspellen

Een proleptische esthetica van verzet

Sven Lütticken

‘Activist ja, maar niet als kunstenaar’

Gesprek met Seth Siegelaub

Kasper Andreasen

Tegen het uitsterven

Extinction Rebellion en T.J. Demos

Jan-Willem Anker

Shell bezingen

Performance Action. The Politics of Art Activism van Paula Serafini

Lietje Bauwens

De gewiekste architect

Future Plans. Luc Deleu & T.O.P. office

Christophe Van Gerrewey

Tijdslandschap

Het gebouwde werk van Luc Deleu & T.O.P. office

Stefaan Vervoort
Home

Download het volledige nummer


De Witte Raaf

nr. 211
Editie mei-juni 2021



Activisme (1)

 1 het hebben van een actieve houding, streven naar activiteit

>< passivisme

2 theologie zienswijze waarin sterke voorrang wordt gegeven aan de daad ten koste van

meditatie, studie en gebed

3 politiek het met alle mogelijke middelen streven naar een veelal politiek doel, vaak met buitenparlementaire middelen

– Van Dale Groot woordenboek van de Nederlandse taal, editie september 2015

 

Een vijftiental hoge bomen, volop in bloei, worden aan de overkant van de straat met een hoogtewerker en kettingzagen traag maar efficiënt verwijderd. Woede en ongeloof gaan hand in hand, ingegeven door het vooruitzicht op weer een recordzomer, met nog minder schaduw dan voorheen. Buiten verzekert een medewerker van het hoveniersbedrijf dat er een kapvergunning is uitgereikt waartegen verzet had aangetekend kunnen worden, maar ondertussen is het te laat. De reden voor het uit de weg ruimen van de bomen: een ontdubbelde scheur in een keermuurtje.

Enkel wie de twintigste eeuw nog bewust heeft meegemaakt, denkt er op zo’n moment reflexmatig aan een politicus te contacteren – niet eens een kennis of een buurtbewoner, maar gewoon, bijna kinderlijk evident: de burgemeester, of het hoofd van de groendienst. De hoop dat politici nog steeds een verschil maken omdat de macht hen tijdelijk en democratisch in handen is gegeven – het vertrouwen, met andere woorden, dat zij het in orde zullen brengen: dat lijkt een naïeve, conservatieve, bij momenten zelfs gevaarlijke droom. Zal die niet in de nachtmerrie van een autoritaire samenleving uitmonden?

Toch is het vooralsnog niet geheel duidelijk wat ervoor in de plaats zou kunnen komen. Met een extreem maar bekend reëel voorbeeld: wat gebeurt er wanneer het je lukt om alle politici uit het Capitool in Washington te verjagen, en om vervolgens je voeten op het bureaublad van de Voorzitter van het Huis van Afgevaardigden te positioneren? Of liever: wat gebeurt er daarna? Of wat betekent het om een nieuwe Amerikaanse regering die zopas heeft aangekondigd fossiele brandstoffen niet langer te zullen ondersteunen, bitter af te wijzen met de mededeling: ‘Daar geloof ik nu eens niks van,’ zoals Greta Thunberg eind april deed? Wie vaststelt dat er een misstand plaatsvindt – zoals gezonde bomen die zonder goede reden worden gekapt – en vervolgens nog op de werking van de traditionele politiek durft te rekenen, die is blijkbaar even lui als goedgelovig. Er waren meer dan genoeg manieren waarop ik zelf had kunnen handelen, die vrijdagmiddag in het voorbije voorjaar, door me bijvoorbeeld aan de nog overeind staande bomen vast te ketenen, door foto’s van de kaalslag te tweeten, of door buurtbewoners te verzamelen en meteen een kritische massa te vormen en op straat te komen – niet als een groep brave burgers, maar als kritische activisten. Ligt de macht voortaan feitelijk voor het grijpen, en zou het juist onverantwoordelijk zijn om er geen deel aan te hebben?

In een boekbespreking uit 1932 met als titel ‘Der Irrtum des Aktivismus’, bekritiseert Walter Benjamin het werk van Kurt Hiller, een Joods-Duitse, homoseksuele en communistische essayist die, zo schrijft Benjamin, ‘zich al geruime tijd publicistisch inzet voor een aantal hoogst wenselijke zaken: het vermijden van de op stapel staande oorlog, een nieuw seksueel strafrecht, de afschaffing van de doodstraf, de vorming van een links eenheidsfront’. Daar valt weinig tegen in te brengen, aldus Benjamin, en het heeft de auteur veel sympathie opgeleverd. Maar is het niet zo dat in de activistische kringen rond Hiller het beeld van ‘een heerschappij’ (Herrschaft) is ontstaan ‘dat geen politieke betekenis heeft, tenzij het onthult hoe zelfs de gedeclasseerde bourgeoisie geen afstand kan doen van bepaalde idealen uit de hoogtijdagen’? Auteurs als Hiller zijn volgens Benjamin ‘couloirpolitici […] die nog niet één keer toegang kregen tot de gang die naar het parlement leidt’. Wat ze organiseren zijn bijeenkomsten van gelijkgestemden, en nooit leidt het tot ‘strijd’, hoogstens tot een denken dat zuiverder en correcter is, en zich boven het denken van politici verheven weet. Uiteraard, zegt Benjamin, ‘hoe zou het anders kunnnen, aangezien in de politiek niet het privédenken doorslaggevend is, als wel, zoals Brecht het ooit uitdrukte, de kunst in de hoofden van andere mensen te denken. Of om met Trotski te spreken: ‘Wanneer verlichte pacifisten proberen de oorlog af te schaffen door middel van rationele argumenten, zien ze er gewoon lachwekkend uit. Maar wanneer de gewapende massa’s redelijke argumenten beginnen te gebruiken tegen de oorlog, dan is het einde van de oorlog aangebroken.’’

Veel van de kritiek van Benjamin op het activisme blijft vandaag overeind, maar er is ook veel veranderd, vooral wat betreft de beschikbaarheid van alternatieve manieren om een maatschappij te organiseren, al was het maar omdat veel van die alternatieven in de jaren dertig nog moesten worden uitgeprobeerd of zich nog in de experimentele fase bevonden. Is de gang die naar het parlement leidt in 1989 niet ingestort onder het gewicht van de Muur? Zoals Hans Demeyer in dit nummer in zijn tekst over McKenzie Wark schrijft, is ‘met de val van de Sovjet-Unie misschien ook wel het zogenaamde Vrije Westen opgehouden te bestaan: vanuit concurrentieel oogpunt is het immers niet meer nodig om een democratie sociaal te houden’. In dat geval zijn er nog slechts buitenparlementaire middelen over om een politiek doel te bereiken – en wordt alles politiek, behalve de politiek zelf. Die omslag, die de wereld binnenstebuiten heeft gekeerd door van de bovenbouw te eisen voortaan de onderbouw te dicteren in plaats van er zoals voordien enkel uitdrukking aan te geven, markeert de overgang van een hoog- of laatmarxisme (beschreven door Benjamin, Adorno en de Kritische Theorie) naar een postmarxisme (het bekendst vertegenwoordigd door Chantal Mouffe en Ernesto Laclau) dat de politieke strijd vooral in het veld van de cultuur wil laten plaatsgrijpen, door groepen van mede- en tegenstanders zo helder mogelijk te identificeren.

Welke van deze twee opties het meest defaitistisch is te noemen, en welke vormen van vrijheid ermee gepaard gaan, dat blijft vooralsnog de vraag. Wie in de lijn van de Kritische Theorie elk individueel of geïsoleerd optreden ten bate van verandering als een ‘verkeerde’ of in ieder geval hoogmoedige stap ziet, hoe geëngageerd ook, gewoon omdat de maatschappij en het systeem door en door slecht zijn, rekent nog altijd op de mogelijkheid van een revolutie of een radicalisering van de representatieve democratie, en ontslaat het individu van de loodzware last – met levenslange garantie op burn-out – onophoudelijk voor nagenoeg alles mee verantwoordelijk te zijn. Natuurlijk loopt precies die systeemkritiek het gevaar onverantwoordelijkheid of vormen van apolitiek leven aan te moedigen. En in welke mate kan je mensen blijven vertellen dat wat ze zelf doen nauwelijks een rol speelt? Wie daarentegen uitgaat van het principe dat er geen kleine of verwaarloosbare politieke ondernemingen bestaan, en dat ‘het politieke’ een strijd is die we allemaal zullen blijven moeten voeren, in alle aspecten van het leven en hoogstwaarschijnlijk voor altijd, die heeft eigenlijk afscheid genomen van het idee van een alles veranderende ommekeer, en zeker van de rol die politici hebben te spelen.

De relatie tussen kunst en activisme lijkt daarmee vergeleken een geheel andere kwestie, maar komt eigenlijk bij dezelfde dilemma’s terecht. Kunst kan – binnen de autonomiegedachte waarop Adorno in duizenden zinnen heeft gevarieerd – enerzijds ontslagen worden van de plicht maatschappelijk te renderen en een directe ‘sociale bijdrage’ te leveren, juist omdat de bijdrage met die weigering kan samenvallen, in het garanderen van het voortbestaan van een samenleving waarin niet alles zichtbaar rendement heeft. Kunst kan anderzijds ook illusieloos beseffen een dergelijke functie enkel nog te vervullen binnen een hogelijk geprivilegieerde enclave die enkel nog in de herinnering deel uitmaakt van een samenleving. Sterker nog: ‘Er bestaat niet zoiets als een samenleving’, om te citeren uit een beroemd interview met Margaret Thatcher uit 1987 in het tijdschrift Women’s Own. ‘Er zijn enkel nog individuele mannen en vrouwen en er zijn families. En geen overheid kan iets doen tenzij door middel van mensen, en mensen moeten eerst en vooral voor zichzelf zorgen.’ Het direct socialiseren en politiseren van kunst – en dus het artistiek activisme – is ook daar een antwoord op. Bij ontstentenis van de traditionele positie van kunst, die samen met een maatschappijmodel verdween, wordt de artistieke ‘doelmatigheid zonder doel’ een leeg gebaar. De uitzonderingspositie van kunst kan dan enkel en alleen overleven door onterughoudend en fervent goed te doen – niet zozeer op esthetisch als wel op ethisch vlak. Waar autonome kunst zich ‘buiten’ de maatschappij wenst te plaatsen, plaatst activistische kunst zich buiten de wereld, om precies daar minuscuul kleine gemeenschappen te stichten. Ook hier blijft het de vraag welke van die twee opties het minst illusoir te noemen is, en welke het meest effectief.

In dit nummer van De Witte Raaf wordt als vanouds toch weer de theorie voor de praxis gezet, of wordt het doen in ieder geval het warme daglicht van het denken gegund. De vier eerste teksten gaan over manieren om artistiek verzet te plegen, of eerder nog om verzet binnen de kunsten mogelijk te maken. In twee bijdragen over met name klimaatactivisme, al dan niet met artistieke pretenties, wordt daarna dieper ingegaan op effectiviteit en institutionele inbedding. Twee portretten, van McKenzie Wark en van Jean-François Lyotard, schetsen de mogelijkheid, als die al zou bestaan, van intellectueel activisme. Het nummer eindigt met twee besprekingen van tentoonstellingen van Luc Deleu & T.O.P. office – een oeuvre dat niet alleen de grenzen tussen kunst en architectuur tart, maar ook tussen praktijk en theorie, en maatschappij en individu. Uiteindelijk is activisme een etiket dat, zoals vele noties, uit de twintigste eeuw stamt – niet wie we zijn is het belangrijkste, maar wat we zijn door wat we denken goed te doen, meer dan enkel voor onszelf alleen.

 

Christophe Van Gerrewey