BESPREKINGEN


beeldende kunst


Ion Grigorescu. Cinema

Vlad Ionescu

Adriano Amaral, new work

Dominic van den Boogerd

Tell Me Your Story

Machteld Leij

Tullio Crali. A Futurist Life

Sébastien Hendrickx

Botanical Wasteland

Daniël Rovers

Considering Monoculture

Daniël Rovers

publicaties


Design by Accident

Laura Herman

Bernd Lohaus. Im Sein Bei

Christophe Van Gerrewey

Donald Judd

Wouter Davidts

DIGITAAL +

Brieven

Menno Meewis

digitaal plus test artikel

ondertitel van dit artikel

Home

Download het volledige nummer


De Witte Raaf

nr. 204
Editie maart - april 2020



Jonge kunstenaars (2)

Hoe zullen toekomstige generaties op onze tijd terugkijken? In de roman Agency, begin dit jaar verschenen, schrijft William Gibson over de tweeëntwintigste eeuw: bijna alle organische leven is uitgestorven, en de lucht moet onophoudelijk schoon worden geschraapt. Dankzij een mysterieuze server in China is het mogelijk om elektronisch contact te leggen met het verleden. ‘Moeilijk te geloven dat ze niet onophoudelijk gelukkig waren, als je ziet wat ze nog allemaal hadden,’ zo zegt iemand uit de toekomst over mensen in het verleden – over ons. ‘Tijgers, bijvoorbeeld.’ In het licht van wat nu nog voorhanden is, maar zal of kan verdwijnen, leven we vandaag in het paradijs. Misschien zijn ook kunstenaars, en jonge kunstenaars in het bijzonder, zoals tijgers, die wij als vanzelfsprekend beschouwen, maar waar de toekomst ons om zal benijden.

In die optiek bevat dit nummer van De Witte Raaf korte dosissen geluk, in de vorm van zes teksten over het werk van jonge kunstenaars, geboren rond 1990, en werkend in de Lage Landen sinds ongeveer 2008. Het nummer opent met brieven van een jonge kunstenaar uit de negentiende eeuw: Berthe Morisot, die in 1865 door haar zus Edma werd geportretteerd, staand voor het schilderdoek. In 1869 trouwt Edma, en met pijn in het hart zegt ze haar kunstenaarsbestaan vaarwel. Berthe zet door, ook wanneer ze in 1874 trouwt met de broer van Édouard Manet. Jong zijn en kunstenaar zijn, zo tonen deze brieffragmenten, is niet veel anders dan jong zijn tout court – alleen krijgt de jeugd, en de maatschappelijke druk die ze ervaart, op een andere, blijvende en publieke manier vorm.

Het nummer besluit met drie essays. Enis Maci, geboren in Duitsland in 1993, schrijft over biechten – een opluchtend privilege waar we vorige eeuwen om kunnen benijden. Marc Kregting gaat na hoe jonge schrijvers vandaag in het Nederlandse taalgebied essayeren, en met elkaar en hun lezers communiceren. En Pascal Gielen schrijft over identiteitspolitiek, en geeft voorbeelden over hoe kunst ertoe kan aanzetten om – in de woorden van Simone de Beauvoir – ‘onze fundamentele ambiguïteit te aanvaarden’. Ambiguïteit en onvoorspelbaarheid: het zijn sleuteltermen voor jonge kunst, net als voor de tijger die in een nagelaten fragment van Kafka bij een beroemde dierentemmer wordt gebracht – om dan, superieur en onaangedaan, te geeuwen, en onmiddellijk op eigen kracht in slaap te vallen.

Christophe Van Gerrewey